Zorg. De tafel was al gedekt. Zes borden, zes glazen, zes stoelen. Toch stond er een zevende stoel aan het uiteinde van de tafel. ‘Waarom staat die stoel daar?’ vroeg de jongste. Moeder keek even naar de lege stoel. ‘Omdat er misschien iemand komt.’ Het was inmiddels een gewoonte geworden. Sinds een paar maanden was er een pleegkind in huis. Een meisje van zeven. Ze had al verschillende huizen gehad en wist daardoor precies dat niets vanzelfsprekend was. De eerste avond had ze bijna niets gegeten. Ze had haar bord dicht naar zich toegetrokken en keek steeds naar de deur. ‘Moet ik straks weer weg?’ had ze gevraagd. Moeder had even moeten slikken. ‘Niet vanavond.’ Het meisje had haar aangekeken. ‘En morgen?’ Op die vraag had moeder geen antwoord kunnen geven. Dat was misschien wel het moeilijkste van pleegzorg: liefde geven terwijl je niet weet hoe lang je iemand mag vasthouden. Het gezin had er vaak over gesproken voordat ze eraan begonnen. Ze wisten dat het niet alleen maar mooi zou zijn. Ze wisten van de slapeloze nachten, de gesprekken met hulpverleners, de bezoeken aan biologische ouders, de onzekerheid over de toekomst. Maar je kunt je niet voorbereiden op het moment waarop een kind je aankijkt en vraagt of het morgen nog mag blijven. Ze hadden gebeden. ‘Heere, als U ons hiervoor wilt gebruiken, geef ons dan ook de kracht.’ En die kracht kwam niet altijd zoals ze hadden gehoopt. Soms kwam ze in kleine stukjes. In een arm om een schouder. In een boterham die ’s avonds alsnog werd opgegeten. In een kind dat voor het eerst spontaan ‘welterusten’ zei. Maar er waren ook andere avonden. Avonden waarop het meisje boos was. ‘Jullie zijn niet mijn echte vader en moeder!’ Het kwam er hard uit. Vader liep even naar de keuken. Niet omdat hij boos was, maar omdat de tranen achter zijn ogen prikten. Moeder bleef zitten. ‘Dat klopt,’ zei ze zacht. Het meisje keek verbaasd. ‘Maar,’ vervolgde moeder, ‘we willen wel heel graag voor je zorgen zolang jij bij ons bent.’ Het meisje zei niets. Even later schoof ze haar hand over tafel. Heel voorzichtig. Moeder legde haar hand ernaast. Niet erbovenop. Alsof ze wilde zeggen: ik dwing je nergens toe. Na een tijdje schoof het kleine handje verder. Totdat het de hand van moeder raakte. Soms is liefde niet groot. Soms is liefde alleen maar blijven zitten… De zevende stoel staat nog steeds klaar. Niet omdat het gezin weet wie er kan komen. Niet omdat ze weten hoe lang een pleegkind mag blijven. Maar omdat ze hebben geleerd dat een huis meer kan zijn dan een dak boven je hoofd.
Van harte Gods zegen toegewenst, van huis tot huis,
De kerkenraad