Ga naar de inhoud

Ten slotte

Januari 1945. De Duitse soldaat Wilhelm Krüger liep door het besneeuwde dorp in de Achterhoek. Zijn peloton had orders gekregen om het dorp in de gaten te houden. Er waren geruchten dat de bevolking samenkwam, misschien wel om berichten uit te wisselen met het verzet. Er moest extra wacht gelopen worden. Het was nu zijn beurt. Hij was moe van de oorlog. Wilhelm miste zijn vrouw en hun pasgeboren zoon, die hij nog nooit had vastgehouden. Plotseling hoorde hij bij de oude kerk stemmen. Door een gebroken raampje gluurde hij naar binnen en zag een jonge moeder met een baby in haar armen. De dominee zei zachtjes: “Matthijs, ik doop je in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.” Wilhelm wist dat hij moest ingrijpen. Samenkomsten waren verboden. Wat moest hij doen? Maar in die vrouw zag hij zijn eigen vrouw. In dat kind zag hij zijn zoon. Hij opende de deur. Angstige blikken keken de soldaat aan. Hij haalde diep adem en fluisterde één woord: “Segen”. Toen draaide hij zich om en verdween in de sneeuw. Die nacht schreef hij aan zijn vrouw: “Ik heb vandaag een kind gezien dat vrede verdient. Net als onze zoon. Misschien is er, ondanks alles, nog hoop voor de toekomst.” Van harte Gods zegen toegewenst, van huis tot huis,
De kerkenraad