Ga naar de inhoud

Ten slotte

Op het rooster van de zondagsschool staat Gezang 4: 1. Het is de lofzang van Simeon. We zingen het ook in de voorzang. Als ik aan Simeon denk, dan denk ik ook aan de boeken van K. Norel. Hij schreef prachtige boeken over de scheepvaart. De scheepsjongens beleefden de spannendste avonturen. U weet ook vast wel wat een kraaiennest was: die ton aan het topje van de mast. In die ton stond een matroos op de uitkijk. Hij stond daar vaak urenlang. Wat kon de bemanning in rep en roer raken als de matroos schreeuwde: ‘Land in zicht’. Simeon stond ook op de uitkijk. God had hem gezegd – we weten niet hoe – dat hij niet zou sterven voordat hij de Verlosser had gezien. We weten niet op welk moment in zijn leven hij dit gehoord heeft. Hoe vaak zal die Simeon naar de tempel gelopen zijn, vol verwachting? Hoe vaak zal hij teleurgesteld naar huis gegaan zijn? Simeons leven is niet gemakkelijk geweest. Als hij namelijk Jezus ziet en zijn bekende lofzang voor God zingt, spreekt hij in termen als ontslagen worden van een zware taak. Dat zit in het woordje ‘gaan’: nu laat U, Heere, Uw dienstknecht gaan in vrede’. Heel je leven op de uitkijk staan, valt niet mee. Toch heeft hij volgehouden. Ook ons leven is een leven van op-de-uitkijk-staan. Ook dat valt niet mee in een ongelovige wereld om je heen. En toch blijven we kijken en verwachten. Eens zal Hij komen op de wolken van de hemel. Wat een dag zal dat zijn! Gemeente: blijf op uw post! Van harte Gods zegen toegewenst, van huis tot huis,
De kerkenraad